Kerst versjes


  • Kerstfeest

    Kerstfeest dat zijn lampjes in de bomen
    zingen bij het kaarslicht met elkaar
    stille nacht en nu zijt wellekome
    met witte sneeuw en wolken engelenhaar


    Kerstfeest dat is altijd weer bijzonder
    dan willen alle mensen samen zijn
    en een beetje denken aan het wonder
    van dat ene kindje teer en klein


    Kerstfeest dat zijn alle kleine dingen
    die ene ster die schittert in de nacht
    en engeltjes die altijd zullen zingen
    voor iedereen die nog op vrede wacht


    Kerstfeest in het bos


    Er staat een kerstboom in het bos
    met kleine engeltjes van hout
    met rode kaarsjes en een piek
    en balletjes van goud


    De boswachter heeft hem versierd
    voor alle dieren in het bos
    en er ligt ook voor allemaal
    een heel klein pakje op het mos


    De egel komt en het konijn
    het hert, de vos, de nachtegaal
    en iedereen roept naar elkaar:
    een vrolijk kerstfeest allemaal!


    De allerbeste wensen


    Sneeuw die dwarrelt neer
    wel honderdduizend vlokjes
    en in de winkelstraten
    klinkt de kerstmuziek
    binnen staat een boom
    met rinkelende klokjes
    wat slingers eromheen
    en bovenin een piek


    De postbode die brengt
    vandaag voor alle mensen
    weer grote stapels post
    hij heeft het heel erg druk
    en brengt voor jou en mij
    de allerbeste wensen
    voor in het nieuwe jaar:
    veel voorspoed en geluk


    Een engeltjesdroom


    Ik lag in mijn bedje - toen kreeg ik een droom
    ik was een klein engeltje hoog in de boom


    Ik poetste de ballen - ik stofte de piek
    en maakte met klokjes een beetje muziek


    Ik vlocht in de slingers wat engelenhaar
    Ik keek naar de kransjes en at er een paar


    Ik klom langs de takken - maar o wat een pech
    een takje was glad en mijn voetje gleed weg


    Ik viel naar beneden - "t was uit met de pret
    ik schrok want ik lag op de grond naast m'n bed


    Kind 1. Wij versieren onze kerstboom
    Kind 2. Hier een bal en daar nog één
    Kind 3. Ik schuif kransjes aan de takken
    Kind 4. En ik proef er even één


    Kind 1. Wij versieren onze kerstboom
    Kind 2. Oei, die bal valt op de grond
    Kind 3. Maar de chocolade kransjes
    Kind 4. Stop ik liever in mijn mond


    Kind 1. Wij versieren onze kerstboom
    Kind 2. Kijk, de piek gaat bovenop
    Kind 3. Maar de chocolade kransjes
    Kind 4. Gek hè, die zijn zomaar op


    Alle vier: Snap jij dat nou?

  • Google

Kerstgedichten en Kerstversjes


  • Park in de winter


    Het park ligt wijd en zijd onder de sneeuw
    en rond de zwarte groeve van de takken
    zweeft als een lassoworp de vlucht der meeuw.
    De kleine vijver is inktzwart en stil,
    als hoedde hij, een kleinodie, het slijk.
    De zomerboot, een dodenbark gelijk,
    ligt bij het tuinhuis, even zwart en stil.


    Watersneeuw


    De losse vlokken
    zijgen met de vleet
    in lodders ligt het land
    de lange laag te lijden
    die reeds aan 't dooien ons
    de maat vol modder meet.


    Het licht is aan de grond
    gedood tot grijs en grauw
    fantasties ligt de stad
    gewenteld uit de tijden
    de loden fosforlucht
    brandt op de daken blauw.


    Plamei en plodder eenzaam
    heen door dras en plas
    bezie de huizen niet
    die u ter wederzijden
    hun dompe warmten ballen ach-
    ter vrekkig vensterglas.


    Geen kerstcantate

    Niet alleen in het holst
    van de nacht van het jaar,
    iedere dag van het jaar
    heeft het licht het koud.

    Het vraagt om geen engelenstemmen,
    het hongert naar
    een beetje gerechtigheid
    aan deze kant van de tijd

    En dromen doet het ook niet van
    eeuwig hemelse zomers
    in en om het vaderhuis,
    het hunkert naar

    aardse dagen ooit
    zonder marteling en moord,
    het licht dat van puur licht
    kind is en woord.

    Last

    In het kind-zijn voel ik mij geborgen.
    Daar, waar het allemaal begint,
    waar men schoorvoetend wegen vindt
    naar de dag van morgen.


    Daar, waar ziel en zaligheid
    opgaan in ongekunsteld leven.
    Waar men bereid is te vergeven
    na een verbeten strijd.


    Daar, waar het kind wordt geboren,
    treden vergeten dromen naar voren,
    durven mensen weer te vragen.


    En wanneer hoogmoed de hoop verdrijft,
    waardoor men in dromen steken blijft,
    weet ik mij door het kind gedragen.


    25 december 1969

    Hij bad het Onze Vader.
    Wij keken naar het zwart
    dat ons voor ogen kwam.
    Een groot diep gat,
    zo dichtbij, dat God
    wel moest bestaan.


    Na het amen werd het licht.
    Scheen de zon
    in heldere groentesoep.
    Doopten wij ons wittebrood.
    Zagen wij de hemel
    in onze diepe borden.

Kerstliedjes


  • Klassieke kerstliedjes
    De herdertjes lagen bij nachte
    Er is een kindeke geboren
    Jingle Bells
    Komt allen tezamen
    Nu zijt wellekome
    O Denneboom
    Stille nacht, heilige nacht
    Wij komen tezamen
    Populaire kerstliedjes
    12 Days of Christmas
    Frosty the snowman
    Last Christmas
    (Wham)
    Let it snow
    Rudolph the red-nosed Reindeer
    So this is Christmas
    We are the world

Kerstverhalen


  • De kerstboom
    Een kerstverhaal over een jonge den door Frans Schobbe
    Als je het pad verlaat en het dennenbos inloopt moet je diep bukken, ja misschien moet je zelfs op handen
    en knieën gaan. De takken hangen bijna tot op de grond en vormen een bruin en donker afdak waar elk
    geluid wordt gedempt en iedere voetstap klinkt alsof je een zak chips onder je voeten kraakt. Als je onder de
    bomen doorkruipt zul je op een goed moment weer in het licht komen. Daar waar de bomen verder uit elkaar
    staan en waar het gras hoog opgroeit. Op zo'n open plek kunnen niet alleen de lentebloemen en
    bosanemonen bloeien maar daar krijgen jonge dennenboompjes de ruimte.

    Op een zo'n open plek in het bos stond tussen het kniehoge gras een hele prille loot. Zijn stam was nog niet
    meer dan een ielig twijgje dat wiegde met elk zuchtje wind. Maar hij staarde verlangend omhoog naar de
    hemel en de zon. Daarboven dreven de wolken voorbij en twinkelden de sterren bij nacht. Daar zag hij soms
    de melkwitte maan voorbij zeilen en onder zijn flinterdunne bast rilden dan zijn vragen. Wat was dat
    daarboven?

    Om het lootje heen torenden de oude statige dennen van formaat. Als het lootje daar naar keek beheerste
    slechts één gedacht zijn kleine kern: zo groot wil ik ook worden! Dus begon hij uit alle macht te groeien en te
    groeien. Hij zoog gulzig het water uit de grond, ving alle stralen van de zon die hij te pakken kon krijgen en
    liet gretig de wind langs zijn weinige naalden waaien. De hele zomer lang groeide hij met alle macht die in
    hem was. Toen de herfst kwam en de eerste dagen vorst het bos in hun greep hadden genomen rustte hij
    uit, tevreden met wat hij die zomer had bereikt. Zijn top keek ruim uit over het grasveld; hij kon gerust de
    winter tegemoet gaan.

    Toen de lente kwam en nauwelijks de laatste restjes sneeuw waren verdwenen kreeg het lootje een fikse
    teleurstelling te verwerken. Op een ochtend hipten wat konijnen rond op zijn grasveldje, waartegen hij op
    zich geen bezwaar had. Maar toen een van donderse knabbelaars met een sprongetje van niks over hem
    heen wipte was hij niet meer zo ingenomen met hun gezelschap. Als zelfs een konijn zo eenvoudig over hem
    heen sprong dan was zijn prestatie van vorige zomer lang niet zo indrukwekkend als hij zich had verbeeld.
    Daarom spande hij zich dat voorjaar buitengewoon in om te groeien dat het een lieve lust was. Hij keek
    alleen maar omhoog naar de toppen van de eerbiedwaardige sparren en stelde zich voor dat hij daar steeds
    dichterbij kwam. Hij genoot geen moment van de prachtige zomer die dat jaar bracht maar concentreerde
    zich helemaal op zijn groei. Toen de volgende herfst kwam was hij tevreden over zijn hoogte maar twijfelde
    aan de stevigheid van zijn bescheiden stammetje.

    En toen verschenen tijdens de koude dagen van november de vreemde wezens. Ze maakten zo veel herrie,
    dat alle dieren uit de omgeving weg snelden. Het boompje had nog nooit zulke opmerkelijke dieren gezien,
    ze liepen op twee poten en niet op vier. Ze bleven een tijdje op de open plek en lieten sporen na op de
    stammen van een paar van de hoogste sparren vlak bij het dennetje. Enkele dagen later kwamen er weer
    zulke wezens en die maakten nog veel meer kabaal, zo erg dat zelfs de kevers en de mieren zich verborgen
    hielden onder de grond. Het gevolg van het misbaar was dat een paar van de grote sparren, die waarop ze
    sporen hadden achtergelaten, met een enorm gekraak omvielen. Ze werden ontdaan van alle takken en
    bleven toen een paar dagen bloot en dood liggen. Toen werden ze weggesleept om nooit weer terug te
    keren. Het boompje vroeg zich verwonderd af waar de sparren heen waren gegaan.

    Het was echter geen droef afscheid want doordat de schaduwrijke reuzen verdwenen waren stond het
    dennetje de hele dag door in de zon en de volgende lente en zomer groeide hij wel drie keer meer dan de
    voorgaande zomers. In de avondschemering van een zo'n zomerse dag kreeg hij bezoek van de mol. Die
    had vlakbij zijn wortels een gang gegraven en dook nu plotseling naast hem op.

    "Mol, mag ik je wat vragen?" vroeg het dennetje met een dun stemmetje.

    "Nou vooruit," sprak de mol met zijn mond vol modder.

    "weet jij waar de grote bomen heen zijn? Ik zou het zo graag weten. Wie weet ga ik daar ook ooit naar toe en
    dan wil ik het graag nu al weten." Het bleef een tijdje stil.

    "Mnmm," mompelde de mol. "dikke bomen, mnmm. Die ben ik wel eens tegen gekomen. In een hele grote
    gang was het. Een lange gang van een hele dik mol, vermoed ik. Ze stonden daar te kraken in het
    pikkedonker. Een diepe gang was het ook, ja." Het had er alle schijn van dat de mol helemaal vergat dat hij
    in gesprek was met de jonge boom want hij staarde naar een modderkluitje en zweeg langdurig.

    "Wat deden ze nog meer?" vroeg de den tamelijk opgewonden en ijl.

    "Ze wachtten daar, wachten en kraken, ja. Wachten en kraken." De mol sjokte weg en verdween in een van
    zijn eigen duistere vochtige gangen. De den bleef vol vragen achter. Onder de grond vol duisternis wilde hij
    niet eindigen. Zijn naalden rilden bij het idee. Maar hij werd niet omgezaagd en naar een mijngang gebracht
    om het plafond te stutten. Dat jaar niet en ook niet het jaar daarna. Wel kwamen er na twee zomers weer
    wezens op twee benen. De den kende ze nu en wist wat hij kon verwachten. Ze maakten weer onmogelijk
    veel misbaar en liepen tussen de dennen door en wezen hier en daar. Ze wezen ook naar de den en dat
    maakte hem heel onzeker. Zou hij nu toch in het donker terecht komen? Maar nee, er verdwenen die dag
    heel veel van zijn broers, allemaal dennen van zijn leeftijd. Niet zo groot en machtig als de
    eerbiedwaardigen. Ze reikten niet hoger dan het gewei van een damhert. Toch verdwenen ze met
    onbekende bestemming en de den stond weer alleen op zijn open plek in het bos.

    Hij was blij de mus te zien op zijn bovenste tak. Het was een paar dagen nadat zijn open plek nog groter was
    geworden.

    De den lispelde heel zachtjes want hij wist dat de mus nogal snel schrok.

    "Mus, weet jij waar mijn broertjes gebleven zijn?"

    De mus vloog van schrik eerst drie rondjes rond de den en ging toen weer schielijk op zijn topje zitten.

    "Ja, nou, zeker. Dat weet ik, ja. Ik kan het wel zeggen. Wil je het weten?" De mus sprak snel en een beetje
    buiten adem. Dat deed ze altijd. Dat wist de den, dus probeerde hij zijn top zo stil mogelijk te houden.

    "Ja, alsjeblief," fluisterde hij.

    "Ze staan achter de ramen in de huizen. En sommigen staan op straat bij elkaar, maar dat worden er elke
    dag minder."

    "En wat doen ze daar achter ramen?" De den realiseerde zich dat hij geen flauw idee had van wat ramen en
    huizen waren. Maar hij wilde het toch weten.

    "Ze hebben heel veel kleuren in hun takken en toppen van sterrenglans. Ik ga er gauw weer heen, het is zo
    mooi om te zien." En voordat de den nog iets kon inbrengen vloog de mus er vandoor, gedreven door zijn
    onophoudelijke nieuwsgierigheid.

    De den bleef achter met veel vragen. Vragen die het hele volgende jaar en ook in de winter daarna nog door
    zijn sappen spoelden. Ja, bomen hebben veel geduld om lang over één ding na te denken. Als je ze maar de
    tijd geeft. Maar ook na vier winters wist de den niet meer dan toen de mus net weg gevlogen was. Hij was
    intussen een majesteit van een boom geworden die heerste over zijn prachtige plek in het bos. De zon
    bescheen zijn donker glanzende naaldendek met zichtbaar genoegen. De regen spoelde met plezier het stof
    van hem af na een hete zomer. Maar de den dacht na en lette niet op het voorbij gaan van de zomers. En
    toen, volkomen onverwacht, werd hij uit zijn overdenkingen weggerukt. Het gebeurde allemaal razendsnel,
    zeker voor een boom. Het was aan het begin van de winter op een miezerige dag in november.

    De voorman van de houthakkers liep rond op de open plek en gaf aanwijzingen. "Deze en die vier daar en
    dat hele bosje daar," wees hij. Ronkend kwamen de motorzagen in actie. De den voelde een eigenaardige
    kriebel onderaan zijn stam en vervolgens verloor hij elk gevoel in zijn wortels. Het was alsof ze er niet meer
    waren. De hemel zwaaide plotseling weg en toen scheen de zon van opzij op zijn takken. Het was een
    vreemde sensatie toen hij werd versleept en opgetakeld. Met een zwiep viel hij neer op een van zijn broers.
    En nauwelijks was hij van die schrik bekomen of er landde een ander op hem. En daarna viel er nog een en
    nog een. Zijn takken bogen door en hier en daar kraakte iets. De den wist niet zeker of hij het zelf was of een
    van zijn broers. Het was allemaal heel onaangenaam. Toen kwam er beweging en stak de wind op. Nadat
    het trillen ophield en de wind weer ging liggen werden de dennen afgeladen en overeind gezet. Zo stond
    onze den daar, een beetje schuin en hulpeloos. Te wachten op een onbekend lot. Onder zijn bast liep het
    sap langzaam naar beneden, als tranen van een angstig kind. Hij wenste dat hij nooit gewenst had groot te
    zijn. Dit was dus het lot van grote bomen. Zonder wortels tegen elkaar aangeleund staan en voelen hoe het
    leven traag uit je weg sijpelt. Wachtte hem nu een diepe donkere gang en zou hij moeten kraken onder het
    gewicht van de aarde? De gedachte alleen al deed zijn naalden omkrullen. Hij voelde een jeukende pijn aan
    de uiteinden van zijn top.

    Overal om hem heen was het lawaai van de tweepotigen, zoals hij de boomomzagers was gaan noemen. Hij
    kon ze zien over de toppen van zijn lotgenoten heen. Hij was de grootste van alle dennen die daar stonden.
    Hij zag verlichte ramen en kleuren in de nacht. Hij aanschouwde het antwoord op zijn vraag. Hij zag ramen
    en door de ramen de versierde kerstbomen. Prachtig was het en een diep verlangen rees op vanuit zijn
    jaarringen. Hij wilde ook zo staan behangen met glinstergouden ballen en getooid met een schitterende piek.
    Ja daarvoor had hij al die jaren zo zijn best gedaan. Om zo te pronken met zijn schoonheid was opeens zijn
    liefste wens. Maar het liep anders. Er kwamen weer mannen, bomen werden weg gehaald en een van de
    mannen zei:

    "Dat is "m, die daar moet het worden," en hij wees naar onze dennenboom. Ze sleepten hem weg van zijn
    plaats met een kraanwagen. De den durfde niet te kijken. Hij zou pas weer om zich heen kijken als hij in een
    kamer stond en ze hem vol zouden hangen met feestelijke lichtjes. Maar dat gebeurde niet want hij voelde
    dat hij rechtop werd gehouden en dat er met geweld houten pinnen onderaan zijn stam werden geslagen. De
    den leed een diep en stil verdriet zoals hij daar somber en duister stond. De hele nacht liet men hem staan,
    kaal en ongezien. Geen warme kamer vol van licht en geuren voor hem maar een grote kale leegte.

    Toen de volgende dag aanbrak kwamen de mannen terug en hingen zware dingen in zijn takken. Van onder
    tot boven werd hij behangen met zwarte dikke draden. Zijn takken hingen af, hij kraakte hier en daar. Hij was
    bevangen van verdriet en zelfmedelijden. Hij liet het allemaal gelaten over zich heen komen, wat kon hij er
    tegen doen? Niks toch?

    Toen kwam de avond en verschenen er nog meer mensen. Ze vulden het plein van voor tot achter. Ze
    wachtten op iets. De den wist niet waarop en hij wilde het ook niet weten. Toen kwam er een man naar voren
    met een gouden ketting om. De man zei een en ander tegen al de mensen op het plein. En toen zei hij heel
    luid, en alle anderen op het plein zeiden het met hem mee:

    "Tien, negen, acht, zeven, zes, vijf, vier, drie, twee, een… Oooh"

    Oh, want bij één gingen alle lichten aan in de grote boom midden op het plein. En iedereen was het er over
    eens: zo'n prachtige kerstboom had de stad in geen honderd jaar gehad. En onze den was het daar
    helemaal mee eens.

Kerstverhalen


  • De citerspeler
    Een Fins volksverhaal over een door heksen ontvoerd meisje
    Er was eens een knaap die geen liefje had. Het werd Kerstmis, en de andere jongens gingen allemaal naar
    het feest, maar hij bleef alleen thuis zitten. "Wat moet ik nou?" dacht hij. Hij pakte zijn beurs, ging een kaars
    kopen, haalde thuis zijn citer op en begaf zich naar het badhuisje, waar hij de kaars ontstak en op de kachel
    zette. Toen begon hij te spelen. Verzonken in droef gemijmer had hij zo een tijdje zitten tokkelen toen er
    plotseling een meisje het badhuisje binnentrad en begon te dansen. Vervolgens kwam ze naar de jongen toe
    en gaf hem een kus. Pas toen de klok middernacht sloeg verdween ze weer.

    De volgende avond begaf de jongen zich opnieuw naar het badhuisje om daar op zijn citer te spelen. En
    wederom kwam het meisje binnen en danste voor hem en gaf hem een kus. De derde avond nodigde de
    jongen zijn oude petemoei uit en vroeg haar om raad. De wijze oude vrouw dacht diep na en raadde hem
    toen: "Hang een kruis om je hals, over je kiel heen, en als dat meisje nu weer komt en je een kus geeft, hang
    haar dan snel het kruis om haar hals." Toen het meisje die avond kwam en hem wilde kussen hing hij gauw
    het kruis om haar hals. Ze riep zacht iets uit het raam, en van buiten hoorde hij het geluid van andere
    meisjesstemmen... De jongen schrok zo dat hij bewusteloos neerzeeg.

    De volgende morgen, toen hij ontwaakte, zag hij dat het meisje nog steeds bij hem zat. Hij liep naar huis, op
    de voet gevolgd door het meisje. Hij probeerde met haar te praten, maar ze kon geen woord uitbrengen.
    Meneer pastoor werd erbij geroepen en die las haar Gods woord voor. Dit gaf het met stomheid geslagen
    wicht op slag haar spraakvermogen terug, en ze vertelde waar ze vandaan kwam, dat ze geboren was op het
    slot en de dochter van de graaf was. "Wil je me begeleiden naar mijn vader?" vroeg ze de jongen.

    Zo gingen ze samen op weg, met een paard en een krakkemikkige wagen, waarmee ze het slot niet mochten
    bereiken, want de wagen begaf het en stortte in elkaar en het paard was binnen de kortste keren bekaf. Ze
    vervolgden hun weg nu te voet, tot ze tenslotte bij het kasteel kwamen. Daar werden ze echter niet zomaar
    binnengelaten. "Heeft de graaf niet een lief kindje?" vroegen ze. "Dat klopt ja," luidde het antwoord. "Wij
    komen met nieuws over dat kind," zeiden ze, en toen werden ze bij de graaf gebracht.

    De graaf vroeg: "Wat weten jullie van mijn kind?" - "Het enige wat we weten," zeiden ze, "is dat het kind
    eenentwintig jaar oud is, en dat het nooit gegroeid is en toch niet doodgaat. Dat is jullie kind namelijk
    helemaal niet, ik ben jullie dochter."

    "Jij? Ons kind?" riep de graaf perplex uit. "Hoe kan dat nou?"

    "Dat zit zo," legde het meisje uit, "ik ben ontvoerd door een heks die dat kind in mijn plaats in de wieg heeft
    gelegd. Ik ben nu al eenentwintig jaar bij haar."

    Even was het stil. Toen vroeg het meisje de graaf: "Hebben jullie destijds niet een bal gegeven?"

    "Dat klopt ja, ik herinner me dat bal nog als de dag van gisteren."

    "En is er toen niet een zilveren lepel gestolen?"

    "Dat is waar ook!" zei de graaf met toenemende verbazing.

    "En wat hebben jullie toen met de huishoudster gedaan?"

    "Die hebben we laten kastijden wegens diefstal."

    "En een tijdje later, gaven jullie toen niet weer een bal? En is er bij die gelegenheid niet een zilveren beker
    gestolen?"

    "Klopt," prevelde de graaf.

    "Die huishoudster, dat was geen slecht mens," zei het meisje, "wij hebben toen die beker gestolen! Ik hoop
    dat het nu duidelijk is dat ik jullie dochter ben, en deze jongeman hier wil ik als echtgenoot."

    "Waar heb je die arme sloeber in godsnaam opgeduikeld?" vroeg de graaf.

    Het meisje vertelde: "Het was kerstavond en deze schat zat in het badhuisje op zijn citer te spelen. Toen
    vroeg ik of ik naar hem mocht kijken. Dat mocht. Ze stuurden me naar binnen om voor hem te dansen en ze
    bevalen me hem te kussen, want we wilden hem inpalmen. Maar deze snuiter was ons te slim af! Twee
    avonden achtereen bracht ik vrijblijvend met hem door. Maar de derde avond gooide die rakker me een kruis
    om mijn hals, en toen ben ik bij hem gebleven. De volgende morgen ben ik hem achternagelopen. Kortom,
    zo heeft hij mij uit de ban van die heksen verlost."

    De graaf erkende het meisje als zijn dochter. "Maar wat moeten we nu beginnen met dat kindje dat al
    eenentwintig jaar bij ons is?" vroeg hij. "Er zit maar een ding op," sprak het meisje op gedecideerde toon. "Je
    moet een brandstapel laten bouwen en die aansteken en mij dan het kind geven!" Ze brachten haar het
    poppedeintje, dat zij met een fluks gebaar op een grote spa legde en met een boogje in het vuur wipte. De
    ontzette heksen krijsten uit het raam: "Verbrand ons kind niet!" Maar reeds sloegen de vlammen hoog op, de
    huid van het kindje barstte open en spatte van het lijfje af, en toen de vuurzee luwde bleek er van het
    heksenkind niets anders over te zijn gebleven dan een klomp elzenhout.

    Het meisje liep naar haar aanstaande toe en toonde hem de houten stomp te midden der smeulende resten
    van de brandstapel, en de graaf zei tegen hem: "Het lijkt me dat jullie maar eens moesten gaan kijken hoe
    het met je huis is!" - "Maar ik heb niet eens paarden voor de reis erheen," antwoordde de jongeling. De graaf
    liet paarden en een gerieflijke reiskoets voor ze aanrukken en gaf hun bovendien ook nog een koetsier, en zo
    reden ze in ongekende luxe naar het huisje waar de jongeman gewoond had. Zijn povere hut maakte een
    armzalige indruk en de graaf sprak: "Over een maand staat hier een degelijk huis van steen!" Ze bouwden
    een mooi stenen huis voor hem, waar hij met zijn jonge bruid introk, en daar, in dat fraaie en deugdelijke
    bouwwerk, wonen ze nu nog.

Gerelateerd

Kerstverhaal


  • Het meisje met de zwavelstokjes
    Het beroemde sprookje van Andersen over een arm meisje
    Het was afschuwelijk koud, het sneeuwde en het begon donker te
    worden. Het was ook de laatste avond van het jaar,
    oudejaarsavond.

    In die kou en in dat donker liep er op straat een arm, klein meisje,
    zonder muts en op blote voeten. Ze had wel pantoffels aangehad
    toen ze van huis ging, maar dat hielp niet veel: het waren heel
    grote pantoffels, haar moeder had ze het laatst gedragen, zo groot
    waren ze, en het meisje had ze bij het oversteken verloren, toen er
    twee rijtuigen vreselijk hard voorbijvlogen. De ene pantoffel was
    niet te vinden en met de andere ging er een jongen vandoor: hij zei
    dat hij hem als wieg kon gebruiken als hij later kinderen kreeg.

    Daar liep dat meisje dus op haar blote voetjes, die rood en blauw
    zagen van de kou. In een oud schort had ze een heleboel
    zwavelstokjes en één bosje hield ze in haar hand. Niemand had
    nog iets van haar gekocht, de hele dag niet. Niemand had haar ook maar een stuivertje gegeven.

    Hongerig en koud liep ze daar en ze zag er zo zielig uit, dat arme stakkerdje! De sneeuwvlokken vielen in
    haar lange, blonde haar, dat zo mooi in haar nek krulde, maar aan dat soort dingen dacht ze echt niet. Uit
    alle ramen scheen licht naar buiten en het rook overal zo lekker naar gebraden gans; het was immers
    oudejaarsavond en daar dacht ze wel aan.

    In een hoekje tussen twee huizen, waarvan het ene een beetje vooruitstak, ging ze in elkaar gedoken zitten.
    Haar beentjes trok ze onder zich op, maar ze kreeg het nog kouder, en naar huis durfde ze niet, want ze had
    geen zwavelstokjes verkocht en ook geen stuivertje gekregen. Haar vader zou haar slaan en thuis was het
    trouwens ook koud. Ze woonden vlak onder het dak en daar blies de wind doorheen, ook al waren de ergste
    kieren met stro en oude lappen dichtgestopt.

    Ze had bijna geen gevoel meer in haar handjes van de kou. O, wat zou een zwavelstokje lekker warm zijn!
    Zou ze er eentje uit het bosje durven trekken en het tegen de muur afstrijken om haar handen te warmen?

    Ze trok er een uit. "Ritsss..." Wat vlamde dat, wat brandde dat! Het gaf een warm, helder vlammetje, net een
    kaarsje, toen ze haar handen eromheen hield.

    Een wonderlijk licht gaf het. Het meisje dacht dat ze voor een grote, ijzeren kachel zat met glimmende
    koperen ballen en een koperen trommel. Het vuur brandde zo heerlijk, het was zo lekker warm.

    Maar wat was dat? Het meisje strekte haar voetjes al uit om die ook te warmen - toen ging de vlam uit, de
    kachel verdween - en zij zat met een stompje van het afgebrande zwavelstokje in haar hand.

    Ze stak er nog een aan. Het brandde, het gaf licht en waar het schijnsel op de muur viel, werd die
    doorzichtig, net als een sluier. Ze keek zo de kamer in, waar de tafel gedekt was met een spierwit tafelkleed,
    met het fijnste porselein. De gebraden gans, gevuld met pruimen en appeltjes, stond heerlijk te dampen. En
    wat het aller-heerlijkst was, de gans sprong van de schaal en waggelde met een vork en mes in zijn rug over
    de grond. Hij kwam recht op het arme meisje af; toen ging het zwavelstokje uit en was alleen de dichte,
    koude muur er nog.

    Ze stak er nog een aan. Toen zat ze onder de mooiste kerstboom, nog groter en nog rijker versierd dan de
    boom die ze door de glazen deur bij de rijke koopman had gezien, vorig jaar met Kerstmis. Er brandden wel
    duizend kaarsjes aan de groene takken, en gekleurde prentjes, zoals je die in etalages ziet, keken haar aan.
    Het meisje strekte haar beide handen uit - toen ging het zwavelstokje uit, de vele kerstkaarsjes gingen de
    lucht in en veranderden in sterren, zag ze. Eentje viel er en liet een lange streep van vuur achter aan de
    hemel. "Nu gaat er iemand dood," zei het meisje. Want haar oude grootmoeder, de enige die lief voor haar
    was geweest, maar die nu dood was, had gezegd: "Als er een ster valt, gaat er een zieltje naar God."

    Ze streek weer een zwavelstokje af tegen de muur, het gaf licht en in het schijnsel stond haar oma, heel
    duidelijk, heel stralend, heel vriendelijk en lief. "Oma!" riep het meisje. "O, neem me mee! Ik weet dat je weg
    bent, als het zwavelstokje uitgaat. Weg, net als de warme kachel, de gebraden gans en die prachtige, grote
    kerstboom."

    Haastig streek ze de rest van de zwavelstokjes uit het bosje af, want ze wilde oma vasthouden. De
    zwavelstokjes gaven zoveel licht dat het klaarlichte dag leek. Oma had er nog nooit zo mooi en zo groot
    uitgezien. Ze nam het kleine meisje op haar arm en ze vlogen, stralend en blij, heel, heel hoog. Er was geen
    kou, geen honger, geen angst - ze waren bij God.

    Maar in het hoekje bij het huis zat in de koude wintermorgen het kleine meisje met de rode wangen, met een
    glimlach om haar mond - dood, doodgevroren op de laatste avond van het oude jaar.

    Het werd nieuwjaarsochtend en de kleine dode zat daar met haar zwavelstokjes, waarvan een bosje bijna
    was opgebrand. Ze heeft zich willen warmen, zeiden ze. Niemand wist wat voor moois ze had gezien, hoe
    stralend ze met oma de vreugde van het nieuwe jaar was ingegaan.

kerstliedjes


  • nr. Titels van de kerstgedichten Hits
    1 8 days of christmas 1308
    2 A christmas to remember 665
    3 All I Want For Christmas 1427
    4 All i want for christmas is you 732
    5 And the angels sang 605
    6 Angels we have heard on high 600
    7 Angels, from the realms of glory 418
    8 Angels, From the Realms of Glory 424
    9 Another lonely christmas 324
    10 As with gladness, men of old 390
    11 At christmas 368
    12 Away in a manger 737
    13 Ayayay it's christmas 302
    14 Christmas 442
    15 Christmas (baby please come home) 264
    16 Christmas evening 277
    17 Christmas time 626
    18 Christmas Time 811
    19 Christmas time (dont let the bells end) 248
    20 Christmas wish 348
    21 Christmas without you 470
    22 Ding Dong! merrily on high 664
    23 Do they know it's Christmas 401
    24 Driving home for christmas 308
    25 Driving home for Christmas 520
    26 Frosty the Snowman 534
    27 Go, tell it on the mountain 556
    28 Go, tell it on the mountain 652
    29 God rest you Merry, Gentlemen 352
    30 Good Christian men, rejoice 231
    31 Good King Wenceslas 214
    32 Happy christmas (war is over) 390
    33 Happy Xmas (war is over) - John Lennon 342
    34 Hark! the herald angels sing 386
    35 Have yourself a merry little christmas 345
    36 I don't wanna spend one more christmas without you 189
    37 I guess it's christmas time 230
    38 I heard the bells on Christmas Day 248
    39 I saw Mommy kissing Santa Claus 242
    40 I saw three ships come sailing in 241
    41 I wish it could be christmas every day 272
    42 I won't be home for christmas 241
    43 I wonder as I wander 222
    44 I'm dreaming of a white chirstmas 425
    45 I'm dreaming of a white Christmas 338
    46 If every day could be christmas 229
    47 In love on christmas 223
    48 In the bleak mid winter 280
    49 It came upon a midnight clear 343
    50 It's beginning to look a lot like Christmas 228
    51 It's The Most Wonderful Time Of The Year 855
    52 Jingle bell rock 492
    53 Jingle bells 1137
    54 Joy to the world 750
    55 Last christmas 361
    56 Last Christmas 406
    57 Let it snow 546
    58 Little Drummer Boy 877
    59 Little Lamb 289
    60 Love's in our hearts on christmas day 231
    61 Mary's Boychild 912
    62 Merry christmas 417
    63 Merry christmas baby 255
    64 Merry christmas, happy holiday 241
    65 Miss you most (at christmas time) 258
    66 My grownup christmas list 209
    67 Need a little christmas 233
    68 O come all ye faithful 640
    69 O come, O come, Emmanuel 574
    70 O little town of Bethlehem 536
    71 Only wish (christmas song) 203
    72 Perfect christmas 239
    73 So this is christmas 654
    74 Someday at christmas 222
    75 The christmas song 316
    76 The christmas song 272
    77 The Christmas Way 326
    78 The first Noël 749
    79 The night before christmas 250
    80 This christmas 259
    81 Twelve Days of Christmas 315
    82 We are the world 401
    83 We wish you a merry christmas 899
    84 When a child is born 312
    85 When christmas comes to town 301
    86 Where are you christmas 210
    87 Where are you christmas 218
    88 White christmas 452
    89 White Christmas 741



links