Kerstfeest dat zijn lampjes in de bomen
zingen bij het kaarslicht met elkaar
stille nacht en nu zijt wellekome
met witte sneeuw en wolken engelenhaar
Kerstfeest dat is altijd weer bijzonder
dan willen alle mensen samen zijn
en een beetje denken aan het wonder
van dat ene kindje teer en klein
Kerstfeest dat zijn alle kleine dingen
die ene ster die schittert in de nacht
en engeltjes die altijd zullen zingen
voor iedereen die nog op vrede wacht
Kerstfeest in het bos
Er staat een kerstboom in het bos
met kleine engeltjes van hout
met rode kaarsjes en een piek
en balletjes van goud
De boswachter heeft hem versierd
voor alle dieren in het bos
en er ligt ook voor allemaal
een heel klein pakje op het mos
De egel komt en het konijn
het hert, de vos, de nachtegaal
en iedereen roept naar elkaar:
een vrolijk kerstfeest allemaal!
De allerbeste wensen
Sneeuw die dwarrelt neer
wel honderdduizend vlokjes
en in de winkelstraten
klinkt de kerstmuziek
binnen staat een boom
met rinkelende klokjes
wat slingers eromheen
en bovenin een piek
De postbode die brengt
vandaag voor alle mensen
weer grote stapels post
hij heeft het heel erg druk
en brengt voor jou en mij
de allerbeste wensen
voor in het nieuwe jaar:
veel voorspoed en geluk
Een engeltjesdroom
Ik lag in mijn bedje - toen kreeg ik een droom
ik was een klein engeltje hoog in de boom
Ik poetste de ballen - ik stofte de piek
en maakte met klokjes een beetje muziek
Ik vlocht in de slingers wat engelenhaar
Ik keek naar de kransjes en at er een paar
Ik klom langs de takken - maar o wat een pech
een takje was glad en mijn voetje gleed weg
Ik viel naar beneden - "t was uit met de pret
ik schrok want ik lag op de grond naast m'n bed
Kind 1. Wij versieren onze kerstboom
Kind 2. Hier een bal en daar nog één
Kind 3. Ik schuif kransjes aan de takken
Kind 4. En ik proef er even één
Kind 1. Wij versieren onze kerstboom
Kind 2. Oei, die bal valt op de grond
Kind 3. Maar de chocolade kransjes
Kind 4. Stop ik liever in mijn mond
Kind 1. Wij versieren onze kerstboom
Kind 2. Kijk, de piek gaat bovenop
Kind 3. Maar de chocolade kransjes
Kind 4. Gek hè, die zijn zomaar op
Het park ligt wijd en zijd onder de sneeuw
en rond de zwarte groeve van de takken
zweeft als een lassoworp de vlucht der meeuw.
De kleine vijver is inktzwart en stil,
als hoedde hij, een kleinodie, het slijk.
De zomerboot, een dodenbark gelijk,
ligt bij het tuinhuis, even zwart en stil.
Watersneeuw
De losse vlokken
zijgen met de vleet
in lodders ligt het land
de lange laag te lijden
die reeds aan 't dooien ons
de maat vol modder meet.
Het licht is aan de grond
gedood tot grijs en grauw
fantasties ligt de stad
gewenteld uit de tijden
de loden fosforlucht
brandt op de daken blauw.
Plamei en plodder eenzaam
heen door dras en plas
bezie de huizen niet
die u ter wederzijden
hun dompe warmten ballen ach-
ter vrekkig vensterglas.
Geen kerstcantate
Niet alleen in het holst
van de nacht van het jaar,
iedere dag van het jaar
heeft het licht het koud.
Het vraagt om geen engelenstemmen,
het hongert naar
een beetje gerechtigheid
aan deze kant van de tijd
En dromen doet het ook niet van
eeuwig hemelse zomers
in en om het vaderhuis,
het hunkert naar
aardse dagen ooit
zonder marteling en moord,
het licht dat van puur licht
kind is en woord.
Last
In het kind-zijn voel ik mij geborgen.
Daar, waar het allemaal begint,
waar men schoorvoetend wegen vindt
naar de dag van morgen.
Daar, waar ziel en zaligheid
opgaan in ongekunsteld leven.
Waar men bereid is te vergeven
na een verbeten strijd.
Daar, waar het kind wordt geboren,
treden vergeten dromen naar voren,
durven mensen weer te vragen.
En wanneer hoogmoed de hoop verdrijft,
waardoor men in dromen steken blijft,
weet ik mij door het kind gedragen.
25 december 1969
Hij bad het Onze Vader.
Wij keken naar het zwart
dat ons voor ogen kwam.
Een groot diep gat,
zo dichtbij, dat God
wel moest bestaan.
Na het amen werd het licht.
Scheen de zon
in heldere groentesoep.
Doopten wij ons wittebrood.
Zagen wij de hemel
in onze diepe borden.
Klassieke kerstliedjes
De herdertjes lagen bij nachte
Er is een kindeke geboren
Jingle Bells
Komt allen tezamen
Nu zijt wellekome
O Denneboom
Stille nacht, heilige nacht
Wij komen tezamen
Populaire kerstliedjes
12 Days of Christmas
Frosty the snowman
Last Christmas
(Wham)
Let it snow
Rudolph the red-nosed Reindeer
So this is Christmas
We are the world
De kerstboom
Een kerstverhaal over een jonge den door Frans Schobbe
Als je het pad verlaat en het dennenbos inloopt moet je diep bukken, ja misschien moet je zelfs op handen en knieën gaan. De takken hangen bijna tot op de grond en vormen een bruin en donker afdak waar elk geluid wordt gedempt en iedere voetstap klinkt alsof je een zak chips onder je voeten kraakt. Als je onder de bomen doorkruipt zul je op een goed moment weer in het licht komen. Daar waar de bomen verder uit elkaar staan en waar het gras hoog opgroeit. Op zo'n open plek kunnen niet alleen de lentebloemen en bosanemonen bloeien maar daar krijgen jonge dennenboompjes de ruimte.
Op een zo'n open plek in het bos stond tussen het kniehoge gras een hele prille loot. Zijn stam was nog niet meer dan een ielig twijgje dat wiegde met elk zuchtje wind. Maar hij staarde verlangend omhoog naar de hemel en de zon. Daarboven dreven de wolken voorbij en twinkelden de sterren bij nacht. Daar zag hij soms de melkwitte maan voorbij zeilen en onder zijn flinterdunne bast rilden dan zijn vragen. Wat was dat daarboven?
Om het lootje heen torenden de oude statige dennen van formaat. Als het lootje daar naar keek beheerste slechts één gedacht zijn kleine kern: zo groot wil ik ook worden! Dus begon hij uit alle macht te groeien en te groeien. Hij zoog gulzig het water uit de grond, ving alle stralen van de zon die hij te pakken kon krijgen en liet gretig de wind langs zijn weinige naalden waaien. De hele zomer lang groeide hij met alle macht die in hem was. Toen de herfst kwam en de eerste dagen vorst het bos in hun greep hadden genomen rustte hij uit, tevreden met wat hij die zomer had bereikt. Zijn top keek ruim uit over het grasveld; hij kon gerust de winter tegemoet gaan.
Toen de lente kwam en nauwelijks de laatste restjes sneeuw waren verdwenen kreeg het lootje een fikse teleurstelling te verwerken. Op een ochtend hipten wat konijnen rond op zijn grasveldje, waartegen hij op zich geen bezwaar had. Maar toen een van donderse knabbelaars met een sprongetje van niks over hem heen wipte was hij niet meer zo ingenomen met hun gezelschap. Als zelfs een konijn zo eenvoudig over hem heen sprong dan was zijn prestatie van vorige zomer lang niet zo indrukwekkend als hij zich had verbeeld. Daarom spande hij zich dat voorjaar buitengewoon in om te groeien dat het een lieve lust was. Hij keek alleen maar omhoog naar de toppen van de eerbiedwaardige sparren en stelde zich voor dat hij daar steeds dichterbij kwam. Hij genoot geen moment van de prachtige zomer die dat jaar bracht maar concentreerde zich helemaal op zijn groei. Toen de volgende herfst kwam was hij tevreden over zijn hoogte maar twijfelde aan de stevigheid van zijn bescheiden stammetje.
En toen verschenen tijdens de koude dagen van november de vreemde wezens. Ze maakten zo veel herrie, dat alle dieren uit de omgeving weg snelden. Het boompje had nog nooit zulke opmerkelijke dieren gezien, ze liepen op twee poten en niet op vier. Ze bleven een tijdje op de open plek en lieten sporen na op de stammen van een paar van de hoogste sparren vlak bij het dennetje. Enkele dagen later kwamen er weer zulke wezens en die maakten nog veel meer kabaal, zo erg dat zelfs de kevers en de mieren zich verborgen hielden onder de grond. Het gevolg van het misbaar was dat een paar van de grote sparren, die waarop ze sporen hadden achtergelaten, met een enorm gekraak omvielen. Ze werden ontdaan van alle takken en bleven toen een paar dagen bloot en dood liggen. Toen werden ze weggesleept om nooit weer terug te keren. Het boompje vroeg zich verwonderd af waar de sparren heen waren gegaan.
Het was echter geen droef afscheid want doordat de schaduwrijke reuzen verdwenen waren stond het dennetje de hele dag door in de zon en de volgende lente en zomer groeide hij wel drie keer meer dan de voorgaande zomers. In de avondschemering van een zo'n zomerse dag kreeg hij bezoek van de mol. Die had vlakbij zijn wortels een gang gegraven en dook nu plotseling naast hem op.
"Mol, mag ik je wat vragen?" vroeg het dennetje met een dun stemmetje.
"Nou vooruit," sprak de mol met zijn mond vol modder.
"weet jij waar de grote bomen heen zijn? Ik zou het zo graag weten. Wie weet ga ik daar ook ooit naar toe en dan wil ik het graag nu al weten." Het bleef een tijdje stil.
"Mnmm," mompelde de mol. "dikke bomen, mnmm. Die ben ik wel eens tegen gekomen. In een hele grote gang was het. Een lange gang van een hele dik mol, vermoed ik. Ze stonden daar te kraken in het pikkedonker. Een diepe gang was het ook, ja." Het had er alle schijn van dat de mol helemaal vergat dat hij in gesprek was met de jonge boom want hij staarde naar een modderkluitje en zweeg langdurig.
"Wat deden ze nog meer?" vroeg de den tamelijk opgewonden en ijl.
"Ze wachtten daar, wachten en kraken, ja. Wachten en kraken." De mol sjokte weg en verdween in een van zijn eigen duistere vochtige gangen. De den bleef vol vragen achter. Onder de grond vol duisternis wilde hij niet eindigen. Zijn naalden rilden bij het idee. Maar hij werd niet omgezaagd en naar een mijngang gebracht om het plafond te stutten. Dat jaar niet en ook niet het jaar daarna. Wel kwamen er na twee zomers weer wezens op twee benen. De den kende ze nu en wist wat hij kon verwachten. Ze maakten weer onmogelijk veel misbaar en liepen tussen de dennen door en wezen hier en daar. Ze wezen ook naar de den en dat maakte hem heel onzeker. Zou hij nu toch in het donker terecht komen? Maar nee, er verdwenen die dag heel veel van zijn broers, allemaal dennen van zijn leeftijd. Niet zo groot en machtig als de eerbiedwaardigen. Ze reikten niet hoger dan het gewei van een damhert. Toch verdwenen ze met onbekende bestemming en de den stond weer alleen op zijn open plek in het bos.
Hij was blij de mus te zien op zijn bovenste tak. Het was een paar dagen nadat zijn open plek nog groter was geworden.
De den lispelde heel zachtjes want hij wist dat de mus nogal snel schrok.
"Mus, weet jij waar mijn broertjes gebleven zijn?"
De mus vloog van schrik eerst drie rondjes rond de den en ging toen weer schielijk op zijn topje zitten.
"Ja, nou, zeker. Dat weet ik, ja. Ik kan het wel zeggen. Wil je het weten?" De mus sprak snel en een beetje buiten adem. Dat deed ze altijd. Dat wist de den, dus probeerde hij zijn top zo stil mogelijk te houden.
"Ja, alsjeblief," fluisterde hij.
"Ze staan achter de ramen in de huizen. En sommigen staan op straat bij elkaar, maar dat worden er elke dag minder."
"En wat doen ze daar achter ramen?" De den realiseerde zich dat hij geen flauw idee had van wat ramen en huizen waren. Maar hij wilde het toch weten.
"Ze hebben heel veel kleuren in hun takken en toppen van sterrenglans. Ik ga er gauw weer heen, het is zo mooi om te zien." En voordat de den nog iets kon inbrengen vloog de mus er vandoor, gedreven door zijn onophoudelijke nieuwsgierigheid.
De den bleef achter met veel vragen. Vragen die het hele volgende jaar en ook in de winter daarna nog door zijn sappen spoelden. Ja, bomen hebben veel geduld om lang over één ding na te denken. Als je ze maar de tijd geeft. Maar ook na vier winters wist de den niet meer dan toen de mus net weg gevlogen was. Hij was intussen een majesteit van een boom geworden die heerste over zijn prachtige plek in het bos. De zon bescheen zijn donker glanzende naaldendek met zichtbaar genoegen. De regen spoelde met plezier het stof van hem af na een hete zomer. Maar de den dacht na en lette niet op het voorbij gaan van de zomers. En toen, volkomen onverwacht, werd hij uit zijn overdenkingen weggerukt. Het gebeurde allemaal razendsnel, zeker voor een boom. Het was aan het begin van de winter op een miezerige dag in november.
De voorman van de houthakkers liep rond op de open plek en gaf aanwijzingen. "Deze en die vier daar en dat hele bosje daar," wees hij. Ronkend kwamen de motorzagen in actie. De den voelde een eigenaardige kriebel onderaan zijn stam en vervolgens verloor hij elk gevoel in zijn wortels. Het was alsof ze er niet meer waren. De hemel zwaaide plotseling weg en toen scheen de zon van opzij op zijn takken. Het was een vreemde sensatie toen hij werd versleept en opgetakeld. Met een zwiep viel hij neer op een van zijn broers. En nauwelijks was hij van die schrik bekomen of er landde een ander op hem. En daarna viel er nog een en nog een. Zijn takken bogen door en hier en daar kraakte iets. De den wist niet zeker of hij het zelf was of een van zijn broers. Het was allemaal heel onaangenaam. Toen kwam er beweging en stak de wind op. Nadat het trillen ophield en de wind weer ging liggen werden de dennen afgeladen en overeind gezet. Zo stond onze den daar, een beetje schuin en hulpeloos. Te wachten op een onbekend lot. Onder zijn bast liep het sap langzaam naar beneden, als tranen van een angstig kind. Hij wenste dat hij nooit gewenst had groot te zijn. Dit was dus het lot van grote bomen. Zonder wortels tegen elkaar aangeleund staan en voelen hoe het leven traag uit je weg sijpelt. Wachtte hem nu een diepe donkere gang en zou hij moeten kraken onder het gewicht van de aarde? De gedachte alleen al deed zijn naalden omkrullen. Hij voelde een jeukende pijn aan de uiteinden van zijn top.
Overal om hem heen was het lawaai van de tweepotigen, zoals hij de boomomzagers was gaan noemen. Hij kon ze zien over de toppen van zijn lotgenoten heen. Hij was de grootste van alle dennen die daar stonden. Hij zag verlichte ramen en kleuren in de nacht. Hij aanschouwde het antwoord op zijn vraag. Hij zag ramen en door de ramen de versierde kerstbomen. Prachtig was het en een diep verlangen rees op vanuit zijn jaarringen. Hij wilde ook zo staan behangen met glinstergouden ballen en getooid met een schitterende piek. Ja daarvoor had hij al die jaren zo zijn best gedaan. Om zo te pronken met zijn schoonheid was opeens zijn liefste wens. Maar het liep anders. Er kwamen weer mannen, bomen werden weg gehaald en een van de mannen zei:
"Dat is "m, die daar moet het worden," en hij wees naar onze dennenboom. Ze sleepten hem weg van zijn plaats met een kraanwagen. De den durfde niet te kijken. Hij zou pas weer om zich heen kijken als hij in een kamer stond en ze hem vol zouden hangen met feestelijke lichtjes. Maar dat gebeurde niet want hij voelde dat hij rechtop werd gehouden en dat er met geweld houten pinnen onderaan zijn stam werden geslagen. De den leed een diep en stil verdriet zoals hij daar somber en duister stond. De hele nacht liet men hem staan, kaal en ongezien. Geen warme kamer vol van licht en geuren voor hem maar een grote kale leegte.
Toen de volgende dag aanbrak kwamen de mannen terug en hingen zware dingen in zijn takken. Van onder tot boven werd hij behangen met zwarte dikke draden. Zijn takken hingen af, hij kraakte hier en daar. Hij was bevangen van verdriet en zelfmedelijden. Hij liet het allemaal gelaten over zich heen komen, wat kon hij er tegen doen? Niks toch?
Toen kwam de avond en verschenen er nog meer mensen. Ze vulden het plein van voor tot achter. Ze wachtten op iets. De den wist niet waarop en hij wilde het ook niet weten. Toen kwam er een man naar voren met een gouden ketting om. De man zei een en ander tegen al de mensen op het plein. En toen zei hij heel luid, en alle anderen op het plein zeiden het met hem mee:
Oh, want bij één gingen alle lichten aan in de grote boom midden op het plein. En iedereen was het er over eens: zo'n prachtige kerstboom had de stad in geen honderd jaar gehad. En onze den was het daar helemaal mee eens.
De citerspeler
Een Fins volksverhaal over een door heksen ontvoerd meisje
Er was eens een knaap die geen liefje had. Het werd Kerstmis, en de andere jongens gingen allemaal naar het feest, maar hij bleef alleen thuis zitten. "Wat moet ik nou?" dacht hij. Hij pakte zijn beurs, ging een kaars kopen, haalde thuis zijn citer op en begaf zich naar het badhuisje, waar hij de kaars ontstak en op de kachel zette. Toen begon hij te spelen. Verzonken in droef gemijmer had hij zo een tijdje zitten tokkelen toen er plotseling een meisje het badhuisje binnentrad en begon te dansen. Vervolgens kwam ze naar de jongen toe en gaf hem een kus. Pas toen de klok middernacht sloeg verdween ze weer.
De volgende avond begaf de jongen zich opnieuw naar het badhuisje om daar op zijn citer te spelen. En wederom kwam het meisje binnen en danste voor hem en gaf hem een kus. De derde avond nodigde de jongen zijn oude petemoei uit en vroeg haar om raad. De wijze oude vrouw dacht diep na en raadde hem toen: "Hang een kruis om je hals, over je kiel heen, en als dat meisje nu weer komt en je een kus geeft, hang haar dan snel het kruis om haar hals." Toen het meisje die avond kwam en hem wilde kussen hing hij gauw het kruis om haar hals. Ze riep zacht iets uit het raam, en van buiten hoorde hij het geluid van andere meisjesstemmen... De jongen schrok zo dat hij bewusteloos neerzeeg.
De volgende morgen, toen hij ontwaakte, zag hij dat het meisje nog steeds bij hem zat. Hij liep naar huis, op de voet gevolgd door het meisje. Hij probeerde met haar te praten, maar ze kon geen woord uitbrengen. Meneer pastoor werd erbij geroepen en die las haar Gods woord voor. Dit gaf het met stomheid geslagen wicht op slag haar spraakvermogen terug, en ze vertelde waar ze vandaan kwam, dat ze geboren was op het slot en de dochter van de graaf was. "Wil je me begeleiden naar mijn vader?" vroeg ze de jongen.
Zo gingen ze samen op weg, met een paard en een krakkemikkige wagen, waarmee ze het slot niet mochten bereiken, want de wagen begaf het en stortte in elkaar en het paard was binnen de kortste keren bekaf. Ze vervolgden hun weg nu te voet, tot ze tenslotte bij het kasteel kwamen. Daar werden ze echter niet zomaar binnengelaten. "Heeft de graaf niet een lief kindje?" vroegen ze. "Dat klopt ja," luidde het antwoord. "Wij komen met nieuws over dat kind," zeiden ze, en toen werden ze bij de graaf gebracht.
De graaf vroeg: "Wat weten jullie van mijn kind?" - "Het enige wat we weten," zeiden ze, "is dat het kind eenentwintig jaar oud is, en dat het nooit gegroeid is en toch niet doodgaat. Dat is jullie kind namelijk helemaal niet, ik ben jullie dochter."
"Jij? Ons kind?" riep de graaf perplex uit. "Hoe kan dat nou?"
"Dat zit zo," legde het meisje uit, "ik ben ontvoerd door een heks die dat kind in mijn plaats in de wieg heeft gelegd. Ik ben nu al eenentwintig jaar bij haar."
Even was het stil. Toen vroeg het meisje de graaf: "Hebben jullie destijds niet een bal gegeven?"
"Dat klopt ja, ik herinner me dat bal nog als de dag van gisteren."
"En is er toen niet een zilveren lepel gestolen?"
"Dat is waar ook!" zei de graaf met toenemende verbazing.
"En wat hebben jullie toen met de huishoudster gedaan?"
"Die hebben we laten kastijden wegens diefstal."
"En een tijdje later, gaven jullie toen niet weer een bal? En is er bij die gelegenheid niet een zilveren beker gestolen?"
"Klopt," prevelde de graaf.
"Die huishoudster, dat was geen slecht mens," zei het meisje, "wij hebben toen die beker gestolen! Ik hoop dat het nu duidelijk is dat ik jullie dochter ben, en deze jongeman hier wil ik als echtgenoot."
"Waar heb je die arme sloeber in godsnaam opgeduikeld?" vroeg de graaf.
Het meisje vertelde: "Het was kerstavond en deze schat zat in het badhuisje op zijn citer te spelen. Toen vroeg ik of ik naar hem mocht kijken. Dat mocht. Ze stuurden me naar binnen om voor hem te dansen en ze bevalen me hem te kussen, want we wilden hem inpalmen. Maar deze snuiter was ons te slim af! Twee avonden achtereen bracht ik vrijblijvend met hem door. Maar de derde avond gooide die rakker me een kruis om mijn hals, en toen ben ik bij hem gebleven. De volgende morgen ben ik hem achternagelopen. Kortom, zo heeft hij mij uit de ban van die heksen verlost."
De graaf erkende het meisje als zijn dochter. "Maar wat moeten we nu beginnen met dat kindje dat al eenentwintig jaar bij ons is?" vroeg hij. "Er zit maar een ding op," sprak het meisje op gedecideerde toon. "Je moet een brandstapel laten bouwen en die aansteken en mij dan het kind geven!" Ze brachten haar het poppedeintje, dat zij met een fluks gebaar op een grote spa legde en met een boogje in het vuur wipte. De ontzette heksen krijsten uit het raam: "Verbrand ons kind niet!" Maar reeds sloegen de vlammen hoog op, de huid van het kindje barstte open en spatte van het lijfje af, en toen de vuurzee luwde bleek er van het heksenkind niets anders over te zijn gebleven dan een klomp elzenhout.
Het meisje liep naar haar aanstaande toe en toonde hem de houten stomp te midden der smeulende resten van de brandstapel, en de graaf zei tegen hem: "Het lijkt me dat jullie maar eens moesten gaan kijken hoe het met je huis is!" - "Maar ik heb niet eens paarden voor de reis erheen," antwoordde de jongeling. De graaf liet paarden en een gerieflijke reiskoets voor ze aanrukken en gaf hun bovendien ook nog een koetsier, en zo reden ze in ongekende luxe naar het huisje waar de jongeman gewoond had. Zijn povere hut maakte een armzalige indruk en de graaf sprak: "Over een maand staat hier een degelijk huis van steen!" Ze bouwden een mooi stenen huis voor hem, waar hij met zijn jonge bruid introk, en daar, in dat fraaie en deugdelijke bouwwerk, wonen ze nu nog.
Het meisje met de zwavelstokjes
Het beroemde sprookje van Andersen over een arm meisje
Het was afschuwelijk koud, het sneeuwde en het begon donker te worden. Het was ook de laatste avond van het jaar, oudejaarsavond.
In die kou en in dat donker liep er op straat een arm, klein meisje, zonder muts en op blote voeten. Ze had wel pantoffels aangehad toen ze van huis ging, maar dat hielp niet veel: het waren heel grote pantoffels, haar moeder had ze het laatst gedragen, zo groot waren ze, en het meisje had ze bij het oversteken verloren, toen er twee rijtuigen vreselijk hard voorbijvlogen. De ene pantoffel was niet te vinden en met de andere ging er een jongen vandoor: hij zei dat hij hem als wieg kon gebruiken als hij later kinderen kreeg.
Daar liep dat meisje dus op haar blote voetjes, die rood en blauw zagen van de kou. In een oud schort had ze een heleboel zwavelstokjes en één bosje hield ze in haar hand. Niemand had nog iets van haar gekocht, de hele dag niet. Niemand had haar ook maar een stuivertje gegeven.
Hongerig en koud liep ze daar en ze zag er zo zielig uit, dat arme stakkerdje! De sneeuwvlokken vielen in haar lange, blonde haar, dat zo mooi in haar nek krulde, maar aan dat soort dingen dacht ze echt niet. Uit alle ramen scheen licht naar buiten en het rook overal zo lekker naar gebraden gans; het was immers oudejaarsavond en daar dacht ze wel aan.
In een hoekje tussen twee huizen, waarvan het ene een beetje vooruitstak, ging ze in elkaar gedoken zitten. Haar beentjes trok ze onder zich op, maar ze kreeg het nog kouder, en naar huis durfde ze niet, want ze had geen zwavelstokjes verkocht en ook geen stuivertje gekregen. Haar vader zou haar slaan en thuis was het trouwens ook koud. Ze woonden vlak onder het dak en daar blies de wind doorheen, ook al waren de ergste kieren met stro en oude lappen dichtgestopt.
Ze had bijna geen gevoel meer in haar handjes van de kou. O, wat zou een zwavelstokje lekker warm zijn! Zou ze er eentje uit het bosje durven trekken en het tegen de muur afstrijken om haar handen te warmen?
Ze trok er een uit. "Ritsss..." Wat vlamde dat, wat brandde dat! Het gaf een warm, helder vlammetje, net een kaarsje, toen ze haar handen eromheen hield.
Een wonderlijk licht gaf het. Het meisje dacht dat ze voor een grote, ijzeren kachel zat met glimmende koperen ballen en een koperen trommel. Het vuur brandde zo heerlijk, het was zo lekker warm.
Maar wat was dat? Het meisje strekte haar voetjes al uit om die ook te warmen - toen ging de vlam uit, de kachel verdween - en zij zat met een stompje van het afgebrande zwavelstokje in haar hand.
Ze stak er nog een aan. Het brandde, het gaf licht en waar het schijnsel op de muur viel, werd die doorzichtig, net als een sluier. Ze keek zo de kamer in, waar de tafel gedekt was met een spierwit tafelkleed, met het fijnste porselein. De gebraden gans, gevuld met pruimen en appeltjes, stond heerlijk te dampen. En wat het aller-heerlijkst was, de gans sprong van de schaal en waggelde met een vork en mes in zijn rug over de grond. Hij kwam recht op het arme meisje af; toen ging het zwavelstokje uit en was alleen de dichte, koude muur er nog.
Ze stak er nog een aan. Toen zat ze onder de mooiste kerstboom, nog groter en nog rijker versierd dan de boom die ze door de glazen deur bij de rijke koopman had gezien, vorig jaar met Kerstmis. Er brandden wel duizend kaarsjes aan de groene takken, en gekleurde prentjes, zoals je die in etalages ziet, keken haar aan. Het meisje strekte haar beide handen uit - toen ging het zwavelstokje uit, de vele kerstkaarsjes gingen de lucht in en veranderden in sterren, zag ze. Eentje viel er en liet een lange streep van vuur achter aan de hemel. "Nu gaat er iemand dood," zei het meisje. Want haar oude grootmoeder, de enige die lief voor haar was geweest, maar die nu dood was, had gezegd: "Als er een ster valt, gaat er een zieltje naar God."
Ze streek weer een zwavelstokje af tegen de muur, het gaf licht en in het schijnsel stond haar oma, heel duidelijk, heel stralend, heel vriendelijk en lief. "Oma!" riep het meisje. "O, neem me mee! Ik weet dat je weg bent, als het zwavelstokje uitgaat. Weg, net als de warme kachel, de gebraden gans en die prachtige, grote kerstboom."
Haastig streek ze de rest van de zwavelstokjes uit het bosje af, want ze wilde oma vasthouden. De zwavelstokjes gaven zoveel licht dat het klaarlichte dag leek. Oma had er nog nooit zo mooi en zo groot uitgezien. Ze nam het kleine meisje op haar arm en ze vlogen, stralend en blij, heel, heel hoog. Er was geen kou, geen honger, geen angst - ze waren bij God.
Maar in het hoekje bij het huis zat in de koude wintermorgen het kleine meisje met de rode wangen, met een glimlach om haar mond - dood, doodgevroren op de laatste avond van het oude jaar.
Het werd nieuwjaarsochtend en de kleine dode zat daar met haar zwavelstokjes, waarvan een bosje bijna was opgebrand. Ze heeft zich willen warmen, zeiden ze. Niemand wist wat voor moois ze had gezien, hoe stralend ze met oma de vreugde van het nieuwe jaar was ingegaan.
nr. Titels van de kerstgedichten
Hits
1 8 days of christmas
1308
2 A christmas to remember
665
3 All I Want For Christmas
1427
4 All i want for christmas is you
732
5 And the angels sang
605
6 Angels we have heard on high
600
7 Angels, from the realms of glory
418
8 Angels, From the Realms of Glory
424
9 Another lonely christmas
324
10 As with gladness, men of old
390
11 At christmas
368
12 Away in a manger
737
13 Ayayay it's christmas
302
14 Christmas
442
15 Christmas (baby please come home)
264
16 Christmas evening
277
17 Christmas time
626
18 Christmas Time
811
19 Christmas time (dont let the bells end)
248
20 Christmas wish
348
21 Christmas without you
470
22 Ding Dong! merrily on high
664
23 Do they know it's Christmas
401
24 Driving home for christmas
308
25 Driving home for Christmas
520
26 Frosty the Snowman
534
27 Go, tell it on the mountain
556
28 Go, tell it on the mountain
652
29 God rest you Merry, Gentlemen
352
30 Good Christian men, rejoice
231
31 Good King Wenceslas
214
32 Happy christmas (war is over)
390
33 Happy Xmas (war is over) - John Lennon
342
34 Hark! the herald angels sing
386
35 Have yourself a merry little christmas
345
36 I don't wanna spend one more christmas without you
189
37 I guess it's christmas time
230
38 I heard the bells on Christmas Day
248
39 I saw Mommy kissing Santa Claus
242
40 I saw three ships come sailing in
241
41 I wish it could be christmas every day
272
42 I won't be home for christmas
241
43 I wonder as I wander
222
44 I'm dreaming of a white chirstmas
425
45 I'm dreaming of a white Christmas
338
46 If every day could be christmas
229
47 In love on christmas
223
48 In the bleak mid winter
280
49 It came upon a midnight clear
343
50 It's beginning to look a lot like Christmas
228
51 It's The Most Wonderful Time Of The Year
855
52 Jingle bell rock
492
53 Jingle bells
1137
54 Joy to the world
750
55 Last christmas
361
56 Last Christmas
406
57 Let it snow
546
58 Little Drummer Boy
877
59 Little Lamb
289
60 Love's in our hearts on christmas day
231
61 Mary's Boychild
912
62 Merry christmas
417
63 Merry christmas baby
255
64 Merry christmas, happy holiday
241
65 Miss you most (at christmas time)
258
66 My grownup christmas list
209
67 Need a little christmas
233
68 O come all ye faithful
640
69 O come, O come, Emmanuel
574
70 O little town of Bethlehem
536
71 Only wish (christmas song)
203
72 Perfect christmas
239
73 So this is christmas
654
74 Someday at christmas
222
75 The christmas song
316
76 The christmas song
272
77 The Christmas Way
326
78 The first Noël
749
79 The night before christmas
250
80 This christmas
259
81 Twelve Days of Christmas
315
82 We are the world
401
83 We wish you a merry christmas
899
84 When a child is born
312
85 When christmas comes to town
301
86 Where are you christmas
210
87 Where are you christmas
218
88 White christmas
452
89 White Christmas
741